Autisme of Asperger ?

Als autisme asperger heet

Twee Oostenrijkers

Hoewel de stoornis altijd heeft bestaan, begint de geschiedenis van autisme als apart syndroom pas in de jaren veertig. Onafhankelijk van elkaar en met een tussenperiode van slechts enkele maanden beschrijven twee deskundigen een groep kinderen die ze behandelen. Toevallig gebruiken beiden het woord autisme om de moeilijkheden te beschrijven die ze bij deze kinderen vaststellen, met name de problemen in sociaal contact.

Beide deskundigen zijn Oostenrijkers maar ze hebben elkaar nooit ontmoet. Leo Kanner emigreert in 1924 naar de Verenigde Staten. De tien jaar jongere Dr. Hans Asperger is hoogleraar en pediater aan de Universiteit van Wenen, waar hij aan het hoofd staat van de afdeling “Heilpedagogiek” een afdeling voor onderzoek en behandeling van moeilijk op te voeden kinderen.

In 1943 identificeert Hans Asperger, in het kader van zijn proefschrift, een typisch patroon van vaardigheden, tekorten en gedrag bij een aantal jongens. Dat patroon kenmerkt zich in de eerste plaats door een gebrek aan invoelingsvermogen en problemen om vriendschappen te sluiten met leeftijdsgenoten. Daarnaast vernoemt hij duidelijke problemen met communicatie: hun taalgebruik is meestal grammaticaal correct, maar het is vreemd: te volwassen, aanstellerig, hooghartig en de communicatie van deze jongens bestaat meestal uit éénzijdige conversaties.

De jongens zijn ook vrij onhandig in het sporten, zich aankleden en netjes eten lukken maar moeizaam bij hen. Tenslotten valt het Hans Asperger op hoe de jongens intens worden opgeslorpt door een speciale interesse. Ze verzamelen op dwangmatige wijze nutteloze dingen. Soms zijn het echt experten in hun interessegebied en weten dan ook alles over getallen, scheikunde of kennen het volledige tramnet uit hun hoofd. Hoewel hij duidelijk de vele problemen ziet raakt Hans Asperger erg gefascineerd door wat hij zelf omschrijft als de “autistische originaliteit“. In 1944 publiceert hij zijn artikel “Die Autistischen Psychopathen im Kindesalter”.

Meer gelijk dan verschillend.

Wanneer we de criteria voor Aspergersyndroom bekijken in de DSM-IV, stellen we vast dat deze op het vlak van de tekorten in sociale interactie en de beperkte en stereotiepe interessens en activiteiten identiek zijn aan de criteria met autisme. De enige verschillen zijn: mensen met Aspergersyndroom hebben geen vertraagde taalontwikkeling en vertonen een normale intelligentie.

Hadden de kinderen beschreven door Hans Asperger wel het Aspergersyndroom?

Het feit dat slechts weinig mensen de oorspronkelijke publicaties van zowel Asperger als Kanner kennen, maar zich beroepen op artikels over artikels van deze publicaties heeft ertoe geleid dat er in de voorbije jaren heel wat misverstanden en eigengereide interpretaties hun ingang hebben gevonden.

Het is trouwens de vraag of Hans Asperger, mocht hij nog leven, het syndroom met zijn naam nog zou herkennen in de huidige definiëring. Hans Asperger heeft nooit criteria gedefinieerd voor zijn syndroom. Hij gebruikte zelf de naam “autisme”. Anderen interpreteerden zijn beschrijving van de door hem behandelde kinderen en gaven het nadien ook zijn naam. Tot op heden is er evenwel nog geen consensus over wat het syndroom inhoudt. Er bestaan minstens zes verschillende criteria-lijsten voor dit syndroom.

De vaststelling dat het denken van de kinderen onwerelds was en los stond van de kennis van anderen deed Asperger denken aan de abstractie die nodig is om wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Van Asperger is ook de uitspraak afkomstig dat er onder de wetenschappers verschillende individuen met autisme zijn.

Aspergers positieve etikettering van het taalgebruik en het denken van autistische kinderen heeft geleid tot het misverstand dat zijn beschrijving van autisme alleen te vinden is bij intelligente kinderen. Ook Asperger zelf is niet zo consequent op dit vlak: waar hij in zijn proefschrift van 1944 nog schrijft dat autisme op alle intelligentieniveaus voorkomt en zelf meer uitgesproken bij mensen met een verstandelijke handicap, benadrukt hij in zijn lezing van 1977 in Fribourg vooral de hoge intelligentie.

Een ander misverstand is dat kinderen met het Aspergersyndroom in tegenstelling tot kinderen met klassiek autisme vroeger kunnen praten dan lopen. Nochtans presenteert Asperger in zijn oorspronkelijk artikel kinderen bij wie dat niet duidelijk het geval is.

Tenslotte associeert men nogal een Asperger syndroom als een lichte variant van het autisme. Zowel Hans Asperger zelf als de huidige criteria in de classificatiehandboeken geven aan dat mensen met het Aspergersyndroom ernstige beperkingen kennen op de belangrijke domeinen van functioneren.

Is een onderscheid zinvol en bruikbaar?

De vraag in niet: zijn er verschillen tussen Aspergersyndroom en autisme ?
Maar wel: is het zinvol en bruikbaar om een onderscheid te maken, als er al één is ? Op die vraag valt absoluut geen antwoord te geven. Wat de benadering, de begeleiding en de hulpverlening betreft lijkt een onderscheid voorlopig weinig zinvol. De vele vermelde studies geven nauwelijk handvatten voor een gedifferentieerde hulpverlening.

Er is een breed spectrum aan autismestoornissen en de overkoepelende term “autisme” dekt vele ladingen. Autisme is een handicap met vele gezichten. En als vanzelfsprekend heeft dit tot gevolg dat de verschillen tussen mensen met autisme onderling even groot zijn als de verschillen tussen andere mensen.

In ieder geval is het duidelijk dat het Aspergersyndroom, net zoals de ander stoornissen in het Autisme info, een biologische oorzaak heeft en dus niet het gevolg kan zijn van een verkeerde opvoeding, mishandeling of verwaarlozing.

bron: Het boek Brein Bedriegt
auteur: Peter Vermeulen
uitgeverij: Vlaamse Dienst Autisme

Tags: ,

Comments are closed.