Verhaal van Peter – Vervolg

Peter zat erg vast in zijn routines en het was ontzettend moeilijk om zijn haar te knippen. Dat moest gebeuren terwijl hij sliep. Hij fladderde dikwijls met zijn handen en keek er naar vanuit zijn ooghoeken. Soms maakte hij op straat of in een winkel, zonder aanwijsbare reden, schelle geluiden terwijl hij wild op en neer sprong.

Ergens naartoe gaan met hem was heel moeilijk. De familie paste zich meer en meer aan Peter en zijn rigide gedrag aan. Ze tolereerden wat ze niet konden veranderen, maar het aanleren van alledaagse vaardigheden zoals aankleden, eten en wassen was een lange en vermoeiende strijd. Met veel volharding boekten ze tenslotte vooruitgang.

Toen Peter 5 was, werd hij veel handelbaarder. Zijn taal ging goed vooruit al bevatte ze veel echolalie. Hij sprak op een eentonige, zangerige manier als hij niet papegaaide. Maar zijn begrip van taal scheen eigenaardig beperkt te blijven. Hij kende enkele heel moeilijke woorden en hun betekenis en kon alle kleurschakeringen benoemen.

Hij wist wat een parallellepipedum was maar scheen de betekenis van een gewoon woord als ‘denken’ niet te kunnen vatten. Peter maakte zeer goede vorderingen op een speciale school. Hij leerde er lezen, schrijven en rekenen.

Hij leerde zwemmen en beleefde veel plezier aan handvaardigheden. Zijn tekeningen waren bepaald opmerkelijk. Zijn zus was de eerste die er achter kwam dat hij alle Londense buslijnen van buiten geleerd had met hun bestemming en nummer.

Niemand wist hoe hij dat gedaan had, of waarom. Hij begon alles te verzamelen wat met bussen te maken had, tot grote vreugde van familieleden die cadeautjes voor hem zochten. Als gauw hing zijn kamer vol posters en kaarten en stonden er overal schaalmodellen. Eigenaardig genoeg toonde hij geen uitgesproken voorkeur voor reizen met de bus en een bezoek aan een tranportmuseum liet hem onverschillig.

Toen hij tien was, werd Peter getest door een psycholoog. Hij presteerde normaal op de non-verbale testen. Uit verbale testen bleek dat hij een lichte achterstand had. Peters mogelijkheden en leerprestaties stemden zijn familie optimistisch wat betreft zijn verdere ontwikkelingen.

Andere mensen maakten nu ook vaak opmerkingen over zijn verbeterd sociaal gedrag. Hij was helemaal niet verlegen en vroeg vaak aan bezoekers thuis of op school hun naam en adres. ‘Dulwich’ zei hij dan, dat is lijn 12.

De volgende keer dat ze kwamen, gebeurde precies hetzelfde. Hoewel hij dikwijls te spraakzaam was op een repetitieve manier (‘vandaag is het maandag, gisteren was het zondag, morgen is het dinsdag’) was het vaak heel moeilijk om belangrijke informatie van hem te krijgen..

Zo vertelde hij bijvoorbeeld aan niemand dat hij gevallen was en zich vrij ernstig gekwetst had. Zijn moeder schrok zich te pletter toen ze het bloed op zijn kleren zag toen zij ze in de wasmachine wilde steken.In zijn tienerjaren, toen zijn leeftijdsgenoten onafhankelijker werden en zelfbewuster wat betreft hun voorkomen en de indruk die ze op anderen maakten, scheen Peter opvallend onwetend te zijn over de indruk die hij bij anderen naliet.

Toch vroeg hij vaak: ‘Doe ik het goed zo? Ben ik een brave jongen?‘, waaruit bleek dat hij daar toch wel om gaf. Maar juist deze vragen, te pas en te onpas gesteld, en het feit dat hij zich echt miserabel voelde bij kritiek, toonden aan hoe ver hij buiten de werkelijkheid stond. Hij was heel groot en zag er nog altijd knap uit. Toch vonden mensen die hem niet kenden, hem erg kinderlijk. Van toen af wist je, alleen door naar hem te kijken, dat hij mentaal gehandicapt was.

Hij bewoog zich op een houterige manier en hij had een luide, krassende stem. Hij trok vaak rare gezichten en verdraaide zijn handen en vingers. Hij gedroeg zich net hetzelfde wanneer hij alleen of in gezelschap was. Het kon best zijn dat hij uitgebreid zat te geeuwen of in zijn neus begon te peuteren terwijl iemand met hem probeerde te praten. Het is dan ook niet te verwonderen dat hij nooit uitgenodigd werd door andere tieners voor na-schoolse activiteiten. Zijn moeder zag erop toe dat hij ging zwemmen.

Peter genoot daar erg van.Peter beschouwde een meisje aan de kassa in de supermarkt als zijn vriendin omdat ze naar hem glimlachte als hij betaalde. Hij begreep duidelijk niet wat een vriendin was, hoewel iedereen hem dat probeerde duidelijk te maken. Soms voelde hij zich vreselijk ongelukkig en gefrustreerd. Hij was er zich van bewust dat hij anders was, maar hij kon het hoe en waarom niet begrijpen. Peter nam alles heel letterlijk op. Op een keer zei zijn moeder dat zijn zus zich de ogen uit haar hoofd huilde en toen ging hij verontrust op de vloer kijken of ze daar soms lagen.

Peter kon grapjes en plagerijtjes helemaal niet waarderen. Ze maakten hem alleen maar boos.Peter bleef thuis wonen toen hij van school ging. Hij kon goed lezen, maar hij las niet voor het plezier. Hij was vaak ongedurig en verveelde de anderen eindeloos met zijn repetitief gepraat. Hij keek heel graag samen met de anderen naar de televisie. Bij een komische film lachte hij met hen mee.

Maar van het verhaal van familiefeuilletons, waar zijn moeder graag naar keek, begreep hij niets. En toch kende hij alle namen van de personages en de acteurs. De ‘goeien’ moesten goed zijn en de ‘slechten’ slecht en hij raakte in de war als er eentje een beetje goed en een beetje slecht was.

Peter is nu boven de dertig en woont nog altijd thuis. Hij leidt een eenvoudig leven. Hij helpt met het klasseren en thee zetten op zijn moeders kantoor en schrijft etiketten in een net handschrift. Hij helpt hen ook in de tuin en het huishouden. Elke dag loopt hij het grasveld rond en volgt daarbij altijd hetzelfde traject. Hij is nog altijd heel naïef en begrijpt er niets van wat er zoal in de wereld omgaat, bijvoorbeeld waarom mensen liegen of bedriegen.

De volwassenheid is voor Peter geen stadium van rijpheid maar eerder één van permanente onrijpheid. Dat past wel bij zijn jeugdig uiterlijk. Zijn stem blijft luid en raar, zijn stap is stijf en houterig en zijn houding slungelig. Hij heeft geen vriendinnetjes en dat maakt hem verdrietig. Het zelfstandig leven dat zijn ouders voor hem gedroomd hadden, lijkt buiten bereik.

De familie van Peter is er zich van bewust dat er andere autistische mensen zijn met weinig praktische vaardigheden, die moeilijk handelbaar zijn en die nooit leerden praten. Zij zijn dankbaar voor de lange weg die Peter afgelegd heeft vanaf de tijd dat hij ‘dwars door de mensen heen keek’ en helemaal niet praatte.

Maar ze maken zich zorgen. Zij vrezen dat hij verwaarloosd zal worden in een onverschillige omgeving of dat men misbruik van hem zal maken…

Zie ook: Verhaal van Peter, deel 1

bron: Autisme, sleutel tot het raadsel door Uta Frith
Uitgeverij: Hadewijch

Tags:

Comments are closed.